Geschiedenis van het luchtvaartuigregister

Elk luchtvaartuig heeft een unieke code: het registratiekenmerk. Deze combinatie van letters en cijfers staat op de buitenkant van het luchtvaartuig. De beginletters daarvan zijn voor elk land anders. Op 13 oktober 1919 werd in Parijs bij een conventie bepaald, dat Nederland de nationaliteitsletter H zou voeren. Dit werd later PH, in navolging van het Telegraaf Verdrag (1927) van Washington.

In dit verdrag kreeg Nederland voor de roepletters van luchtvaartuigradiostations de combinaties van 5 letters toegewezen. Deze moesten beginnen met PA, PB, PC, PD, PE, PG, PH en PI. Omdat de luchtvaartuigradiostations in Nederland onder verschillende ministeries vielen werd een verdeling gekozen: PA was voor de Marine, PB voor de Landmacht (later Luchtmacht) en de radiostations voor 'burgerlijke luchtvaartuigen' kregen PH. De andere series bleven ongebruikt.

Combinatie PH voor de burgerluchtvaart

De combinatie PH voor radiostations voor de burgerluchtvaart werd voorgesteld nadat de eerder voorgestelde PE op verzet was gestuit bij de toenmalige directeur van Bureau Luchtvaart. Die schreef dat er verwarring kon ontstaan met de roepletters GE van Britse luchtvaartuigen omdat “telegrafisch de P makkelijk kan worden verminkt tot G. De letters PH hebben het voordeel dat de letter H (Holland) al enigszins de nationaliteit aangeeft, zoals ook bij Britse vliegtuigen (GE), de Australische (GA) en de Canadese (GC).”

Steeds meer regels waaraan het kenmerk moet voldoen

In juni 1928 stelde de Commission Internationale de Navigation Aérienne (CINA) nadere regels op voor de nationaliteits- en inschrijvingskenmerken van luchtvaartuigen. Een belangrijk besluit was dat de kenmerken (zoveel mogelijk) overeen moesten komen met de roepnamen (het ‘call sign’) van de luchtvaartuigradiostations. Tegelijkertijd werd verzocht het gebruik van de toegestane series zoveel mogelijk te beperken.

Op 20 november 1928 deelde het Departement van Koloniën aan het ministerie van Waterstaat mede dat voor Nederlands-Indië gekozen was voor PK. Op 20 februari 1929 volgde het bericht dat voor Suriname en Curaçao gekozen was voor respectievelijk PZ en PJ. Voor de keuze van K, Z en J was geen specifieke reden.

Invoering Luchtvaartwet

Op 24 augustus 1928 trad Nederland toe tot de 'Convention portant réglementation de la Navigation Aérienne' die de CINA had opgericht. Een direct gevolg daarvan was de invoering van de Luchtvaartwet op 1 februari 1929. Tot dat moment was er wel van alles geregeld op luchtvaartgebied, maar er ontbrak een wettelijke basis.

Uit de Luchtvaartwet kwamen de volgende regelingen voort:

  • de Regeling van het Rijkstoezicht op de Luchtvaart (RTL) op 1 februari 1929
  • de Luchtverkeersregeling op 9 juli 1929
  • de Douaneregeling op 9 juni 1930
  • de Regeling Toezicht op het Zweefvliegen op 9 juli 1931

In 1944 werden de functies van de CINA overgenomen door de International Civil Aviation Organization (ICAO). Deze handhaafde de nationaliteitsletters PH. Deze letters zijn tot opnog steeds heden nog in gebruik.

Registratiekenmerk bestaat uit het inschrijvingskenmerk en nationaliteitskenmerk

Een registratiekenmerk van Nederlandse luchtvaartuigen bestaat uit het nationaliteitskenmerk PH, gevolgd door het inschrijvingskenmerk. Voor zweefvliegtuigen en motorzweefvliegtuigen bestaat het inschrijvingskenmerk uit cijfers, bijvoorbeeld PH-1079. Voor microlights uit de combinatie cijfer-letter-cijfer, bijvoorbeeld PH-2A8. Voor RPAS (drones) uit de combinatie cijfer-letter-letter. Voor de overige luchtvaartuigen bestaat het inschrijvingskenmerk uit een combinatie van 3 letters, bijvoorbeeld PH-GON.