Uitrusting

Transporteenheden die gevaarlijke stoffen vervoeren moeten ervoor uitgerust zijn om eventuele incidenten te kunnen bestrijden. Het ADR maakt onderscheid tussen brandbestrijdingsmiddelen en overige uitrusting.

Brandblussers

Bij elk transport van gevaarlijke stoffen moeten brandblussers op het voertuig aanwezig zijn. Deze moeten zodanig worden geplaatst dat ze makkelijk toegankelijk zijn voor de voertuigbemanning. Het betreft hier poederblussers voor de brandbaarheidklassen A, B en C of een ander geschikt blusmiddel met een overeenkomstige capaciteit in kilogrammen.

De transporteenheid moet zijn uitgerust met twee blusmiddelen: een cabineblusser en een ladingblusser. De cabineblusser moet een capaciteit hebben van tenminste 2 kg poeder, het blusmiddel moet geschikt zijn om een brand in de motor of in de bestuurderscabine te kunnen bestrijden.

De gezamenlijke capaciteit van de ladingblusser(s) hangt af van de maximale toegestane massa van de transporteenheid:

  • tot en met 3,5 ton: blusmiddelen met een minimale capaciteit van 4 kg
  • meer dan 3,5 t/m 7,5 ton: blusmiddelen met een minimale capaciteit van 8 kg waarvan 1 met een minimum capaciteit van 6 kg
  • meer dan 7,5 ton: blusmiddelen met een minimalecapaciteit van 12 kg waarvan 1 met een minimum capaciteit van 6 kg.

N.B. : de cabineblusser van 2 kg telt mee voor de totale capaciteit die aanwezig moet zijn.

Overige uitrusting

Naast brandblusmiddelen moet er uitrusting voor algemene en persoonlijke bescherming op de transporteenheid aanwezig zijn. De volgende uitrusting is altijd nodig:

  • minstens één stopblok van een grootte die past bij de maximale massa van het voertuig en de diameter van het wiel;
  • twee zelfstandig staande waarschuwingssignalen
  • vloeistof om de ogen te spoelen (niet voorgeschreven voor de gevaarsetiketnummers 1, 1.4, 1.5, 1.6, 2.1, 2.2 en 2.3).

Daarnaast moet er voor elk lid van de bemanning het volgende aanwezig zijn:

  • een waarschuwingsvest (conform EN 471)
  • een draagbaar verlichtingsapparaat overeenkomstig 8.3.4
  • een paar beschermende handschoenen
  • bescherming voor de ogen.

Ook moet er aanvullende uitrusting aanwezig zijn als er stoffen met een bepaald gevaarsetiket worden vervoerd. De volgende uitrusting is voorgeschreven:

  • bij stoffen met gevaarsetiketnummer 2.3 of 6.1 voor elk lid van de bemanning een vluchtmasker voor noodgevallen
  • bij het vervoer van stoffen met de gevaarsetiketnummers 3, 4.1, 4.3, 8 en 9: een schop, een rioolafdichting en een opvangreservoir.

Uitzondering

Bij vervoer onder de 1000-punten regeling hoeft men niet aan de gestelde eisen voor de uitrusting te voldoen. Wel moet er een cabineblusser van 2 kg aanwezig zijn.