Deze instructie kan worden aangemerkt als vallend onder artikel 1.4 van de Overeenkomst Keuringsinstantie.
Binnenvaartcertificaten worden namens de Minister verstrekt door daarvoor gemandateerde klassenbureaus en keuringsinstanties.
Deze instructie is bedoeld om eenduidigheid te bewerkstelligen bij het onderzoek voor, en de afgifte van binnenvaartcertificaten door de klassenbureaus en de keuringsinstanties.
| Versie | Datum | Toelichting |
|---|---|---|
|
1.0 | 20-06-2018 | |
|
1.1 | 05-09-2018 | Wijziging op bladzijde 3 datum overgangsbepaling. |
| 1.2 | 15-11-2018 |
Wijzigingen wettelijke artikelen naar aanleiding van inwerkingtreding ES-TRIN. Voorbeelden toegevoegd bij 'Zeeschepen die voor de vaart op zee geen certificaat nodig hebben' en bij de definitie 'breedte: B' in de begrippenlijst. |
| 1.3 | 19-11-2018 | Aanvulling op tabel voorlopige certificaten. |
| 1.4 | 07-12-2018 | Aanvulling op tabel voorlopige certificaten. |
| 1.5 | 11-09-2019 | Aanvulling toepassing hoofdstuk 26 met betrekking tot CE keurmerk. |
| 1.6 | 27-01-2020 | Aanvulling halfjaar verlenging. |
Datum vastgesteld: 19-06-2018
Ingangsdatum: 01-09-2018
Overgangsperiode: Ingeval van hercertificering geldt een overgangsperiode tot 1-04-2019. Tot 1-04-2019 kunnen dossiers op de nu gebruikelijke wijze worden afgehandeld.
Registratie
Om vast te stellen aan welke regels een schip moet voldoen is de registratie van dat schip van belang. Bij de bouw van een schip bepaalt de eigenaar de bestemming van het schip. Die eigenaar maakt de keuze of het schip gebouwd wordt volgens de regels voor de zeevaart, de binnenvaart of de visserij. Op grond van die keuze laat de eigenaar zijn schip registeren als zeeschip, binnenschip of vissersschip.
Certificatieplicht
Het is verboden een schip te gebruiken zonder de vereiste geldige certificaten (artikel 7 Binnenvaartwet). Welke schepen een binnenvaartcertificaat moeten hebben, is geregeld in de artikelen 6 en 7 van het Binnenvaartbesluit.
Eerste keer binnenvaartcertificaat
Nieuw gebouwde schepen, of bestaande schepen die voor de eerste keer worden gecertificeerd, moeten vóór de ingebruikneming onderzocht zijn. Nadat het onderzoek is afgerond en is vastgesteld dat aan alle voorschriften wordt voldaan, mag een certificaat worden afgegeven.
(artikel 9 van de Binnenvaartwet, artikel 6 richtlijn 2016/1629, artikel 2.04 van het ROSR)
Nieuw gebouwde binnenschepen
De geldigheidsduur van het certificaat mag niet langer zijn dan:
- 5 jaar voor passagiersschepen.
- 5 jaar voor tankschepen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
- 10 jaar voor alle andere vaartuigen.
Bestaande schepen
De geldigheidsduur van het certificaat mag niet langer zijn dan:
- 5 jaar voor passagiersschepen.
- 5 jaar voor tankschepen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
- 7 jaar voor alle andere vaartuigen.
Bestaande schepen; vóór 30 december 2008 geen certificaatplicht communautair
Dit betreft pleziervaartuigen en drijvende werktuigen die voor 30-12-2008 in de vaart waren. Deze schepen waren destijds niet certificaatplichtig, maar zijn dat inmiddels wel. Eigenaren van deze schepen hebben tot uiterlijk 30-12-2018 de tijd om deze schepen te laten certificeren op basis van “geen klaarblijkelijk gevaar”. Voor deze schepen wordt een certificaat van onderzoek afgegeven als er geen sprake is van “klaarblijkelijk gevaar”. Voor grensoverschrijdende vaart op de Rijn is een certificaat met vaargebied zone R nodig). (Hoofdstuk 22 of hoofdstuk 26 van de ES-TRIN.
Als deze schepen na 30-12-2018 gecertificeerd worden, moeten deze schepen volledig voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in ES-TRIN.
ADN-certificaten
Voor certificaten afgegeven op grond van het ADN zijn de procedure en de toe te passen geldigheidstermijnen beschreven in Hoofdstuk 1.16 van het ADN.
Eerste certificering certificaat van onderzoek of communautair binnenvaartcertificaat
Bij het vaststellen van de geldigheidsduur van de certificaten op grond van de artikelen 3.11 van de Binnenvaartregeling, 2.06 van het RosR, en artikel 10 van de richtlijn 2016/1629 hanteert de certificerende instantie voor nieuwbouwschepen het wettelijk maximum, waarbij de datum van de proefvaart geldt als peildatum.
Verlenging van certificaat van onderzoek of communautair binnenvaartcertificaat
Bij verlenging of vernieuwing van het certificaat wordt de geldigheidsduur volgens de onderstaande tabel bepaald.
| Type schip | Geldigheidsduur cvo en cbb |
|---|---|
| Passagiersschip1 | 5 jaar |
| Tankschip voor het vervoer van gevaarlijke stoffen | 5 jaar 2 |
| Overige schepen | 7 jaar |
Voetnoten bij de tabel:
1 Zowel zeilende als werktuigelijk voortgedreven passagiersschepen.
2 Als een tankschip gebruik maakt van de mogelijkheid om, volgens artikel 1.16.11 van het ADN de geldigheidsduur met 1 jaar te laten verlengen, kan ook het CVO/CBB met 1 jaar worden verlengd. Zo’n verlenging kan slechts eenmaal in 2 geldigheidsperioden worden toegekend.
Het droogstaande onderzoek en het veiligheidsonderzoek vinden plaats in het jaar voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat. De geldigheidsduur van het nieuwe certificaat wordt gerekend vanaf de vervaldatum van het laatste geldige certificaat. Een droogstaand onderzoek dat maximaal 2 jaar voorafgaand aan de vervaldatum heeft plaatsgevonden kan worden geaccepteerd. In dat geval wordt de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat gerekend vanaf de datum van de droogzetting.
De nieuwe ingangsdatum van het certificaat ligt altijd eerder dan of direct aansluitend aan de afloopdatum van het laatste geldige certificaat. De certificerende instantie kan op basis van het onderzoek besluiten een kortere geldigheidsduur toe te passen dan hierboven aangegeven.
Verlenging van certificaat van onderzoek of communautair binnenvaartcertificaat met 6 maanden, artikel 3.18 Binnenvaartregeling
In uitzonderingsgevallen kan de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek of communautair binnenvaartcertificaat met ten hoogste 6 maanden worden verlengd. Deze verlenging wordt in het certificaat vermeld en kan toegepast worden op basis van onderstaande voorwaarden.
- De certificerende instelling beoordeelt bij de aanvraag voor her-certificering en uitstel van de droogstaande inspectie of de aanvraag voldoende is onderbouwd om in aanmerking te komen voor een half jaar verlenging. Een voorwaarde is dat aantoonbaar tijdig (tenminste 3 maanden voor het indienen van de aanvraag) een afspraak is gemaakt voor een droogzetting bij een scheepswerf.
- De certificerende instelling start het onderzoek voor de her-certificering en voert tenminste de eerste (veiligheids)inspectie uit. Vervolgens wordt beoordeeld of er verantwoord een verlenging van maximaal 6 maanden kan worden afgegeven. In deze beoordeling wordt de voorgaande droogstaande keuring meegenomen.
- Als aanvraag voldoende is onderbouwd, de inspectie aan boord en het laatste cascorapport de deugdelijkheid voldoende borgen, mag de certificerende instelling het certificaat met ten hoogste 6 maanden verlengen. Er mag in geen geval een voorlopig certificaat afgegeven worden.
- De certificerende instelling stuurt naar de eigenaar een gewijzigde pagina 2 met een begeleidend schrijven. In het begeleidend schrijven wordt de scheepseigenaar gewezen op de noodzaak om binnen 6 maanden het vaartuig te hebben drooggezet voor casco-inspectie en de consequenties wanneer niet (ruim) voor de verlenging van 6 maanden het onderzoek voor her-certificering afgerond is. Een consequentie is in ieder geval: als het onderzoek voor her-certificering niet voor afloopdatum van de verlening kan worden afgerond, mag er niet gevaren worden totdat het schip goedgekeurd is.
- Bovenstaande is niet van toepassing op de ADN-certificaten. Voor deze certificaten moeten de procedures zoals beschreven in het ADN gevolgd worden.
Toepassing overgangsbepalingen
Om aanspraak te kunnen maken op overgangsbepalingen volgens Hoofdstuk 32 en 33 van de ES-TRIN, moet het schip voorzien zijn van een geldig certificaat.
Gedurende een overgangsperiode tot 1 februari 2020 kan nog aanspraak op overgangsbepalingen worden gemaakt indien het schip beschikt over een certificaat dat op het moment van de aanvraag voor hercertificering niet langer dan 1 certificaatperiode is verlopen. De geldigheidsduur van het certificaat wordt daarbij bepaald als bij verlenging, ingaand vanaf de droogzetting.
Voorlopige certificaten
Als vastgesteld is dat de deugdelijkheid van een schip voldoende is gewaarborgd, kan overeenkomstig de instructies van de onderstaande tabel een voorlopig certificaat worden afgegeven.
Binnenvaartbesluit Artikel 10 Voorlopige certificaten
Als een voorlopig certificaat wordt afgegeven moet het definitieve certificaat worden ingenomen.
Als een voorlopig certificaat wordt afgegeven moet het definitieve certificaat worden ingenomen.
| Voorkomende gevallen Artikel 10 lid 1 | Geldigheidstermijn Artikel 10 lid 2 | Instructie | Af te geven door | |
|---|---|---|---|---|
| A | Voor onderzoek een reis willen ondernemen naar een Commissie van Deskundigen van haar keuze of naar een bepaalde plaats binnen Nederland | Één bepaalde reis binnen een redelijke termijn, die maximaal 1 maand is | Onderbouwing toekennen voorlopig certificaat, moet geborgd zijn in het Kwaliteit Management Systeem (KMS). | KB/KI* |
| B |
Administratieve wijziging of duplicaat.** | Redelijke termijn | Onder een redelijke termijn wordt verstaan maximaal 3 maanden. | KB/KI* |
| B |
Weigering of intrekken van een definitief certificaat | Redelijke termijn | Het weigeren of intrekken van een definitief certificaat is voorbehouden aan de ILT. Afgifte van een voorlopig certificaat na weigering of intrekken van een definitief certificaat, gebeurt in overleg met ILT. | KB/KI* |
| C |
Aanvraag voor afgifte certificaat is nog in behandeling, maar het volledige onderzoek is met gunstig gevolg afgerond | Redelijke termijn | Onder een redelijke termijn wordt verstaan maximaal 3 maanden. | KB/KI* |
| D |
Schepen die niet aan alle voorwaarden voor afgifte van een certificaat voldoen |
Één bepaalde reis binnen een redelijke termijn die maximaal 1 maand is | Onderbouwing toekennen voorlopig certificaat, moet geborgd zijn in het Kwaliteit Management Systeem (KMS). | KB/KI* |
| E | Schade |
Één bepaalde reis binnen een redelijke termijn, die maximaal 1 maand is |
Afgifte van een voorlopig certificaat in overleg met de piketinspecteur ILT. Afgifte wordt achteraf, doch zsm door KB/KI gemeld aan ILT. | KB/KI* |
| F | Bijzonder transport*** |
Één bepaalde reis binnen een redelijke termijn, die maximaal 1 maand is |
Onderbouwing toekennen voorlopig certificaat, moet geborgd zijn in het Kwaliteit Management Systeem (KMS). Afgifte wordt door KB/KI gemeld aan ILT. | KB/KI* |
| G |
Aanbevelingsprocedure voor een gelijkwaardigheid. | |||
|
Richtlijn 2016/1629; artikel 25 lid 1 | Maximaal 6 maanden. |
Afgifte van een voorlopig certificaat na toestemming van ILT. Die toestemming wordt verleend nadat ILT van DGB een bericht heeft ontvangen dat de werkgroep in Straatsburg een positief besluit heeft genomen. | KB/KI* | |
|
ROSR; artikel 2.19 lid 1 | Maximaal 6 maanden |
Afgifte van een voorlopig certificaat na toestemming van ILT. Die toestemming wordt verleend nadat ILT van DGB een bericht heeft ontvangen dat de aanvraag in Straatsburg is ingediend. De aanbeveling is van kracht als de werkgroep in Straatsburg een positief besluit heeft genomen. Aanvragen kunnen ook worden afgewezen. Als een aanvraag wordt afgewezen moet het voorlopige certificaat per direct door de ILT worden ingetrokken. | KB/KI* | |
| ADN 1.5.3. | Voorlopig certificaat is niet van toepassing | |||
|
Aanbevelingsprocedure voor testdoeleinden (Nieuwe technische voorzieningen) | ||||
|
Richtlijn 2016/1629; artikel 25 lid 1 | Maximaal 6 maanden |
Afgifte voorlopig certificaat na toestemming van ILT. Die toestemming wordt verleend nadat ILT van DGB een bericht heeft ontvangen dat de werkgroep in Straatsburg een positief besluit heeft genomen. | KB/KI* | |
|
ROSR; artikel 2.19 lid 3 |
Voorlopig certificaat is niet van toepassing | |||
|
ADN 1.5.3. | Voorlopig certificaat is niet van toepassing. | |||
|
Aanbevelingsprocedure voor een hardheidsclau-sule (overgangsbepaling moeilijk tot niet uitvoerbaar of geeft onevenredig hoge kosten) | ||||
|
Richtlijn 2016/1629; artikel 26 | Maximaal 6 maanden |
Afgifte voorlopig certificaat na toestemming van ILT. Die toestemming wordt verleend nadat ILT van DGB een bericht heeft ontvangen dat de werkgroep in Straatsburg een positief besluit heeft genomen. |
In bijzondere gevallen overleggen de ILT en de keuringsinstantie dan wel het klassenbureau over de afgifte van een voorlopig certificaat
*KB/KI, klassenbureaus en keuringsinstanties die door de ILT zijn aangewezen voor het onderzoek en door de Minister zijn gemandateerd voor het afgeven van binnenvaartcertificaten.
**Binnen de geldigheidsduur van het definitieve certificaat mag in het geval van koop/verkoop en het opnieuw bestendigen van het certificaat, een voorlopig certificaat op naam van de nieuwe eigenaar worden afgegeven.
***Als door de aard van het bijzondere transport het vaartuig afwijkt van één of meer bepalingen van de van toepassing zijnde technische voorschriften kan KB/KI, mist de deugdelijkheid, de sterkte, de stabiliteit en de veiligheid van de opvarenden voldoende is gewaarborgd, een voorlopig certificaat afgeven conform de bepaling van deze tabel. In tegenstelling tot Artikel 4 van de Overeenkomst/Class Agreement hoeft de KB/KI deze afwijkingen niet vooraf aan de ILT voor te leggen.
Klaarblijkelijk gevaar, Artikel 8 van de Richtlijn 2006/87/EG
Het begrip 'geen klaarblijkelijk gevaar' is van toepassing op vaartuigen, die nieuw onder de genoemde Richtlijn 2006/87/EG vallen en die vóór 30-12-2008 in de vaart waren.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de tekortkomingen van deze vaartuigen geen klaarblijkelijk gevaar opleveren, mogen deze vaartuigen in bedrijf blijven totdat de onderdelen of ruimten van het vaartuig die niet in overeenstemming met de voorschriften worden bevonden en als zodanig werden gecertificeerd, zijn vervangen of gewijzigd, waarna deze onderdelen of ruimten in overeenstemming moeten zijn met de voorschriften van de ES-TRIN.
Vervanging van bestaande onderdelen door identieke onderdelen of technologisch en qua design gelijkwaardige onderdelen bij normale herstel- en onderhoudswerkzaamheden wordt niet als vervanging in de zin van dit lid beschouwd.
Pleziervaartuigen
De ILT gaat er van uit dat bij een pleziervaartuig dat in de vaart was vóór 30-12-2008, na 30-12-2008 niet ineens sprake zal zijn van een klaarblijkelijk gevaar. Voor deze schepen wordt een certificaat afgegeven als na gehouden onderzoek vastgesteld wordt dat er geen sprake is van 'klaarblijkelijk gevaar'.
Klaarblijkelijk gevaar kan onder andere voorkomen bij:
- Cascosterkte en huiddikte
- Stuurwerk en stuurmachine (incl. stuurautomaat indien aanwezig)
- Vrij zicht
- Ankerinrichting (operationeel)
- AIS en Marifoonverbinding/bediening
- Gasinstallatie (indien aanwezig)
- Brandveiligheid (handblussers en indien aanwezig vast blusinstallatie)
- Reddingsmiddelen
- Manoeuvreereigenschappen. Kunnen met een proefvaart worden aangetoond.
- Achterstallig of matig onderhoud
Stabiliteit
De stabiliteit van vaartuigen met hef en/of hijswerktuigen moet ten allen tijden voldoen aan de geldende voorschriften.
CE-markering en de ES-TRIN betreft parallelle wetgeving. Voor het in de handel brengen van pleziervaartuigen (2,5<L<24m) is een CE-markering nodig. Voor het deelnemen aan de vaart met een pleziervaartuigen (L≥ 20m of lxBxT≥ 100M3) is een certificaat nodig.
Op het certificaat zijn de technische voorschriften van de ES-TRIN van toepassing. Voordat het certificaat kan worden afgegeven moet, voor ingebruikname, door technisch onderzoek zijn vastgesteld dat het pleziervaartuig voldoet aan de voorschriften van de ES-TRIN.
Voor pleziervaartuigen die zijn gebouwd (en gecertificeerd) op basis van de richtlijn 2013/53/EU is de ES-TRIN 26.01 lid 2 van toepassing.
Voor pleziervaartuigen, gebouwd (en gecertificeerd) op basis van een voorganger van de richtlijn 2013/53/EU (zoals de 2003/44/EC en de 94/25/EG), is de ES-TRIN 26.01 lid 1 van toepassing.
Zeeschepen op binnenwater
Gecertificeerde zeeschepen op communautaire wateren
Gecertificeerde zeeschepen kunnen op de Nederlandse binnenwateren volstaan met de certificaten voor de zeevaart, volgens de condities van dat certificaat. Voor grensoverschrijdende vaart op de Rijn is een 'Certificaat voor zeeschepen op de Rijn' vereist.
Certificaat voor zeeschepen op de Rijn
Voor ingebruikneming van het schip moet door onderzoek zijn vastgesteld dat voldaan is aan hoofdstuk 25 van de ES-TRIN. Het certificaat mag niet langer geldig zijn dan de geldigheid van de aanwezige certificaten voor de zeevaart.
Zeeschepen die voor de vaart op zee geen certificaat nodig hebben
Een zeeschip dat geen certificaat van de vlaggenstaat heeft waaruit blijkt dat het een toereikend veiligheidsniveau heeft voor de vaart op zee, moet op de binnenwateren voldoen aan de voorwaarden zoals die van toepassing zijn voor eenzelfde type binnenschip. Documenten zoals een zeebrief en een CE-markering zijn niet gelijkwaardig aan een certificaat gebaseerd op veiligheidseisen
Bijvoorbeeld: Een zeegaand pleziervaartuig of drijvend werktuig moet op binnenwater voldoen aan de eisen voor een binnenvaart pleziervaartuig of drijvend werktuig als certificaatplicht op binnenwater van toepassing is.
Gecertificeerd voor zeevaart en binnenvaart
Gecertificeerde zeeschepen mogen naast hun zeegaande certificaten ook een binnenvaartcertificaat aanvragen. Deze schepen moeten voldoen aan de regelgeving zoals van toepassing op de afgiftedatum van het binnenvaartcertificaat.
Vissersvaartuigen op binnenwater
Gecertificeerde zeegaande vissersvaartuigen kunnen op de Nederlandse binnenwateren volstaan met de certificaten voor de zeevaart. Voor binnenvaartvissersschepen is er certificaatplicht maar er zijn nog geen voorschriften op grond waarvan een certificaat kan worden afgegeven.
Begrippenlijst
De aanvraag voor een onderzoek - op basis waarvan een certificaat mag worden afgegeven - wordt door de eigenaar van het schip of diens vertegenwoordiger ingediend bij een daartoe gemandateerd klassenbureau of keuringsinstantie.
De Binnenvaartwet definieert een binnenschip als volgt:
- Vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren
- Drijvend werktuig.
Het Burgerlijk Wetboek Boek 8 Artikel 3
Onder binnenschepen worden verstaan de schepen die als binnenschip te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en de schepen die niet te boek staan in die registers en blijkens hun constructie noch uitsluitend noch in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd.
Het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, Deel I, Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen, Artikel 1.01
Binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren.
De Richtlijn 2016/1629 hoofdstuk 3, Definities
Binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren.
ES-TRIN, artikel 1.01
Binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren.
Bewijs dat het schip voldoet aan de technische voorwaarden.
De CE-markering komt voort uit Richtlijn 2013/53/EU, voorheen Richtlijn 94/25/EG, en is bedoeld voor het in de handel brengen van, en het vrije verkeer van pleziervaartuigen.
Voor de ingebruikneming of het in de vaart brengen van het binnenschip moet aangetoond zijn dat het schip voldoet aan de daarvoor geldende technische voorwaarden.
De reglementen die van toepassing zijn:
- Binnenvaartwet, Binnenvaartbesluit en de Binnenvaartregeling
- Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR)
- Richtlijn 2016/1629/EU
- European Standard laying down Technical Requirements for Inland Navigation vessels (ES-TRIN)
- Wet vervoer gevaarlijke stoffen, Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, regeling en de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG)
- ADN (Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren)
- Beleidsregels
- Instructies voor de certificerende instellingen (Instructions to RO)
- Verslagen technische Commissie na 2014 de verslagen van het CertificeringsOverleg (CO)
lengte: L
Grootste lengte van de scheepsromp in meters, het roer en de boegspriet niet inbegrepen.
Breedte: B
De grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepradaren, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen).
Diepgang: D
De verticale afstand in meters tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen, en het vlak van de grootste inzinking van het schip in meters.
Voor schepen die lading vervoeren:
- De inzinking bij het kleinst toegestane vrijboord of veiligheidsafstand. (Binnenvaartregeling Hoofdstuk 4 en Bijlage 4.1)
Voor schepen die geen lading vervoeren:
- De inzinking die daadwerkelijk wordt bereikt bij een volledig uitgerust schip, de bemanning en voorraden meegerekend. (Binnenvaartregeling Hoofdstuk 4 en Bijlage 4.1)
Voor de voorraden wordt uitgegaan van de totale capaciteit van de brandstoftanks en van de watertanks met inbegrip van waterballast en vuilwatertanks.
Burgerlijk Wetboek Boek 8 Artikel 2
Onder zeevissersschepen worden verstaan zeeschepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor de bedrijfsmatige visvangst zijn bestemd.
De Schepenwet (bedoeld voor zeeschepen)
Elk vaartuig, dat gebezigd wordt voor het vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee.
De Binnenvaartwet en -regelgeving kent het scheepstype vissersvaartuig niet.
Een voorlopig certificaat wordt afgegeven nadat het volledige onderzoek met gunstig gevolg is afgerond en de afgifte van het certificaat nog slechts wacht op de administratieve afhandeling.
Daarnaast kan in een beperkt aantal bijzondere situaties een voorlopig certificaat worden afgegeven. Zie de tabel op blz. 4, 5 en 6.
Voor schepen die internationale zeereizen maken (International Tonnage Certificate).
De Binnenvaartwet
Zeeschip: schip dat blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de vaart op zee.
Het Burgerlijk Wetboek Boek 8 Artikel 2
Onder zeeschepen worden verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd.
Het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, Deel I, Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen , Artikel 1.01
Zeeschip: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd
ES-TRIN, artikel 1.01
'Zeeschip': een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd.