Eisen aan scheepsbrandstof

Zwavelgehalte in scheepsbrandstoffen zeevaart

De IMO heeft de voorschriften voor de brandstoffen ,die zeeschepen mogen gebruiken, vastgelegd in de IMO MARPOL Annex VI reg 14.

Binnen 'IMO MARPOL Annex VI Reg 14' gelden de volgende toegestane zwavelgehaltes voor scheepsbrandstof:

Sinds 1 januari 2015 is het toegestane zwavelgehalte voor scheepsbrandstof die schepen mogen gebruiken binnen de Emission Control Areas (ECA’s) vastgesteld op 0,10% m/m (massaprocent). Onder de ECA’s vallen de volgende gebieden: 'Baltic Sea area', 'North Sea area', 'North American area' 'United States Caribbean Sea area'. 
Vanaf 1 januari 2020 is het buiten de ECA’s niet toegestaan brandstof te gebruiken met meer dan 0,5 % zwavel in de brandstof. Tenzij het schip is voorzien van een rookgas-reinigingssysteem (scrubber) waarmee het schip de uitgestoten hoeveelheden zwavel verlaagt  naar het niveau dat schepen met laagzwavelige brandstof bereiken. Ook mag een zeeschip vanaf 1 maart 2020 geen brandstof van meer dan 0,5% zwavel aan boord hebben. Tenzij het schip de brandstof als lading vervoert. Ook hier geldt de uitzondering voor schepen met een scrubber. 

De IMO MARPOL regelgeving is in Nederland geïmplementeerd in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.

Handhaving

Sinds 2015 controleert de ILT logboeken en andere documentatie van de gebruikte brandstof en de overschakelingprocedures.  Soms neemt zij ook een brandstofmonster. Binnen de Europese Unie gelden voorschriften over het aantal schepen dat ieder land tenminste moet inspecteren. Dat geldt ook voor het aantal te analyseren monsters (zie de Uitvoeringsrichtlijn UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/253). Op basis van het aantal schepen dat een Nederlandse haven aandoet, moet de ILT jaarlijks ongeveer 800 schepen inspecteren en jaarlijks 160 monsters nemen en analyseren.

Om schepen te kunnen selecteren voor een controle heeft de ILT bij de ingang van de Rotterdamse haven een zogenaamde snuffelpaal opgesteld. Die snuffelpaal meet permanent de zwaveluitstoot van schepen. Vermoedt de inspectie een overschrijding van het toegestane zwavelgehalte? Dan bezoekt een inspecteur het schip. Hij neemt dan een monster van de laatst gebruikte brandstof mee. Er zijn schepen waarbij inspecteurs geen monsters kunnen nemen. Bijvoorbeeld omdat schepen de haven uitvaren. Voor die schepen plaatst de ILT een signaal in Thetis EU.  In die database kan de ILT andere handhavers binnen de EU informeren over mogelijke overtredingen. Ook leggen de inspecteurs de uitslagen van alle zwavel-inspecties in Thetis-EU vast.  

De inspectie kan ook monitoringapparatuur plaatsen in vliegtuigen. Zo kunnen vliegtuigen boven zee schepen controleren op een te hoog zwavelgehalte. In de jaren 2018 en 2019 voert de Belgische kustwacht boven de Noordzee dergelijke vluchten uit voor de ILT.

Constateert de ILT dat het schip inderdaad brandstof met teveel zwavel gebruikt, of heeft gebruikt? Dan kan de inspecteur het schip aanhouden en de scheepseigenaar strafrechtelijk vervolgen. Strafrechtelijke vervolging is een taak voor het Openbaar Ministerie (OM). Het OM weegt in elk geval het economisch voordeel mee. De straf moet voldoende zijn om overtreding in het vervolg te voorkomen. De maximumboete in Nederland voor de reder is op dit moment ca € 800.000 (Wet economische delicten).

Bunker Delivery Note

De Bunker Delivery Note (BDN) is de afleveringsbon van de gebunkerde brandstof. Deze bevat gegevens over de geleverde brandstof.

De gegevens die op de Bunker Delivery Note moeten staan volgens MARPOL Annex VI, Appendix V zijn: 

  • Naam en IMO nummer ontvangend schip
  • Afleverdatum
  • Locatie/haven
  • Naam, adres en telefoonnummer van de bunkerleverancier
  • Productnaam
  • Hoeveelheid in M3.
  • Zwavelgehalte in de brandstof (in 2 decimalen te vermelden)

Daarnaast een ondertekende verklaring met de verzekering door de brandstofleverancier dat de geleverde brandstof in overeenstemming is met artikel 14.1 of 14.4 en 18.3 van Annex VI. Deze overeenstemming houdt het volgende in:

  • De zwavelconcentratie van de geleverde brandstof, te gebruiken buiten de ECA- gebieden is niet meer dan 0,50 %. Tenzij er sprake is van een schip voorzien van scrubbers.
  • De zwavelconcentratie van de geleverde brandstof, te gebruiken binnen een ECA gebied, is niet meer dan 0,1%. Tenzij er sprake is van een schip voorzien van scrubbers.
  • Geen gebruik van additieven
  • De brandstof bevat geen anorganische zuren
  • De brandstof bevat geen toevoegingen die de veiligheid van het schip beïnvloeden, schadelijk zijn voor het personeel en/of bijdragen aan extra luchtverontreiniging

Lijst van leveranciers scheepsbrandstoffen

Het vaststellen van een lijst van leveranciers van scheepsbrandstoffen is een verplichting die volgt uit MARPOL Annex VI, Reg 18.9 en artikel 4bis, zesde lid van de Europese Zwavelrichtlijn EU 2016/802. Deze stelt dat lidstaten een lijst bijhouden van brandstofleveranciers aan zeeschepen die groter zijn dan 400 GT.

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stelt deze lijst voor Nederland op. Laboratoria, controleurs en transporteurs komen daarop niet voor. De lijst is een middel om bij geconstateerde overtredingen de betrokken leverancier te achterhalen. Het is geen lijst van 'goedgekeurde leveranciers’.
Wanneer de geleverde brandstof afwijkt van de voorschriften uit reg. 14 of 18 van Annex VI,  de kapitein dit melden aan de vlaggenstaat (volgens MARPOL reg. 18.9 ). Die licht  vervolgens de havenstaat in en bij voorkeur ook de leverancier.

Monsters nemen tijdens bunkeren
Voor monsters die betrokken partijen nemen tijdens het bunkeren geldt een IMO-richtlijn (Res. MEPC.182(59)). Naast een zogenaamd MARPOL-monster, nemen en verzegelen zij ook enkele andere representatieve monsters volgens deze richtlijn. Deze staan allemaal vermeld op de Bunker Delivery Note. Andere monsters zijn niet geldig. Tenzij er een ‘Written Agreement” is afgesloten tussen de koper en leverancier over een alternatieve plaats en wijze van monstername. De leverancier van de brandstof verzegelt deze monsters (inclusief het MARPOL-Monster) in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het schip. Het verbreken van deze zegel maakt het monster ongeldig.

Bewaartermijn monsters
Volgens Annex VI moeten de MARPOL-monsters tenminste 12 maanden aan boord blijven. Voor schepen die heel vaak bunkeren, bijvoorbeeld ferry’s  kan dat problemen opleveren. en. In overeenstemming met Annex VI Reg 18.11 kunnen autoriteiten hiervoor een alternatief opleggen.

Klachten over bunkering in Nederland
Klachten rond bunkering gaan volgens Annex VI, Reg. 18.9 van de vlaggenstaat naar de betreffende havenstaat. De havenstaat kan vervolgens stappen ondernemen tegen de overtredende leverancier. De autoriteiten verspreiden deze informatie onder de IMO-leden via het zogenaamde GISIS informatiesysteem.

Kwaliteit brandstof
Scheepsbrandstoffen zijn vaak geblende brandstoffen. Analyse van de gebunkerde brandstof kan uitwijzen dat de brandstof niet voldoet aan bepaalde grenswaarden. Hierdoor kan het gebeuren dat het schip de betreffende brandstof wil debunkeren. Van elke debunkering moet een melding worden gemaakt bij de betreffende Havenautoriteiten.

Is de brandstof niet geschikt om erop te varen? En gaat deze niet terug naar de leverancier? Dan kan er sprake zijn van afval. De eigenaar  moet zich hiervan ontdoen en het afval afgegeven aan een  vergunde afvalverzamelaar in de haven.