Wettelijk advies

De ILT kan bij de Wabo-vergunningprocedure een advies (zienswijze) aan het bevoegd gezag (meestal gemeenten en provincies) geven. Indien het advies niet wordt overgenomen, kan de ILT bezwaar en of beroep instellen.
Op grond van artikelen 2.26 lid 3 Wabo en artikel 6.3, 2e lid Bor dient het bevoegd gezag de inspecteur in gelegenheid te stellen advies uit te brengen op de ontwerpbeschikking. Het gaat daarbij om een ontwerpbeschikking op een aanvraag voor activiteiten zoals genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo. De categorieën waarvoor dit geldt zijn genoemd in bijlage 3 van het Bor.

Werkwijze

Bij vergunningprocedures van bedrijven die landelijk het meest bijdragen aan de bedrijfsmatige emissie van prioritaire stoffen wil de ILT in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken worden; de proactieve aanpak. Ten gunste van de efficiency wil de ILT al bij de aanvraag of de conceptbeschikking haar oordeel kunnen geven. Als de ILT in het begin van de vergunningprocedure bekend is, kan het bedrijf daar bij zijn aanvraag en het bevoegd gezag bij zijn ontwerp beschikking rekening mee houden. Bovendien kan met deze kennis een eventueel formeel advies van de ILT voorkomen worden en loopt de vergunningprocedure geen onnodige vertraging op.
Bij de overige vergunningprocedures hanteert de ILT meestal de reactieve aanpak. Bij deze aanpak wordt zo nodig gereageerd op de ontwerpbeschikking in combinatie met de aanvraag door middel van een advies (zienswijze). Zo nodig wordt dit gevolgd door een bezwaar en beroep.

Ontwerpbeschikking

De ontwerpbeschikking met alle daarop betrekking hebbende stukken kunnen digitaal worden gestuurd aan het Omgevingsloket Online (OLO) of via de post aan: ILT, Postbus 16191, 2500 BD Den Haag.
Bij vergunningprocedures die via het OLO lopen dient het bevoegd gezag de ILT vanaf de aanvraag aan te merken als adviseur.

Adviesonderwerpen

De adviestaak is vooral gericht op correcte implementatie van de Best Bestaande Technieken (BBT). De BBT documenten worden in de bijlage van de Regeling Omgevingsrecht aangewezen. Inhoudelijk gaat het om de volgende prioritaire stoffen of thema’s (jaartal waarop dit thema voor deze toezichtstaak als prioritair is vastgesteld):

  • Luchtemissies waarvoor een landelijk emissieplafond geldt, toegespitst op SO2 en NOx (2008); 
  • Stofemissies, vanuit het oogpunt dat beperking van stofemissies bijdraagt aan verlaging van concentraties fijnstof in de leefomgeving, hetgeen ten goede komt aan de luchtkwaliteit (2008);
  • Luchtkwaliteit, vooral de componenten fijnstof, stikstofdioxide (NO2) en benzeen (2009);
  • Zware metalen naar lucht, waarbij aandacht wordt besteed aan kwik en cadmium (2009);
  • Enkele specifieke luchtemissies: fluor en stoffen met een minimalisatieverplichting (MVP) (2011);
  • IPPC, met als hoofdvragen of vergunningen voldoen aan IPPC en of er sprake is van BBT (2008);
  • Externe veiligheid met vooral aandacht voor de kwaliteit van kwantitatieve risicoanalyses (2008), toetsing aan BEVI (2008) en verwerking van bepaalde PGS-richtlijnen, vooral PGS 15 (2010) en PGS 29 (2012) in de vergunningen;
  • Afval met vooral aandacht voor het toepassen van het LAP (minimum standaard), mengen en gescheiden houden, het acceptatie- en verwerkingsbeleid, de administratieve organisatie en de interne controle (2014);
  • REACH waarbij gekeken wordt naar strijdigheid met de REACH-verordening en borging van veiligheidsaspecten. (2015).

Energie-efficiëntie (2011) is in 2015 als prioriteit vervallen.