Nieuw: belasting op verwijdering afval in het buitenland

Vanaf 1 januari 2019 bestaat er een heffing voor afvalstoffen die in Nederland zijn ontstaan of bewerkt en die buiten Nederland worden gestort of verbrand. Deze heffing gold al voor afvalstoffen die in Nederland worden verwijderd.
Anders gezegd: voortaan wordt al het in Nederland ontstane afval bij gelijke verwerkingswijze op gelijke wijze belast, ongeacht of die verwerking binnen of buiten Nederland plaatsvindt.

Deze heffing sluit aan bij de kennisgevingsprocedure in de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190) (EVOA).

De uitbreiding van de afvalstoffenbelasting met een buitenlandheffing staat in het Belastingplan 2018. Onderaan deze pagina kunt u lezen wat de aanpassing inhoudt en hoe u als EVOA-kennisgever te werk moet gaan als deze voor uw bedrijf geldt.

Wat houdt de aanpassing precies in?

De heffing wordt berekend over het gewicht van de in Nederland ontstane afvalstoffen die een kennisgever buiten Nederland ter verwijdering heeft overgebracht. De EVOA-kennisgever is in dit verband de belastingplichtige.

Het gewicht van de afvalstoffen die buiten Nederland zijn overgebracht ter verwijdering, staat in de beschikking die de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) afgeeft op aanvraag van de kennisgever.

Bij het bepalen van het tarief wordt gekeken naar de periode waarin de eerste en de laatste fysieke overbrenging hebben plaatsgevonden. Het laagste tarief in deze periode is van toepassing voor de hele periode. (De jaarlijkse indexering van het tarief per 1 januari 2019 heeft alleen gevolgen voor EVOA-vergunningen waarvan de eerste overbrenging plaatsvindt op of na die datum.)

De ILT baseert de beschikking op de gegevens die de kennisgever vermeldt in de aanvraag, na afloop van de looptijd van de EVOA-vergunning. Als kennisgever bent u zelf verantwoordelijk voor de juistheid en de volledigheid van deze gegevens. Op basis van de beschikking doet u zelf aangifte bij de Belastingdienst.

Wanneer moet u een beschikking aanvragen bij de ILT en belasting betalen bij de Belastingdienst?

Als kennisgever moet u belasting betalen over de afvalstoffen die u buiten Nederland ter verwijdering heeft overgebracht vanaf 1 januari 2019, met toepassing van een EVOA-vergunning die is afgegeven op of na 25 oktober 2018.

U moet een beschikking bij de ILT aanvragen na afloop van de looptijd van de EVOA-vergunning, binnen vier weken nadat de laatste verwerkingsverklaring (verklaring als bedoeld in artikel 16, onderdeel e, EVOA) is ontvangen, of ontvangen had moeten zijn. Dat betreft dus alle afvalstoffen die u met toepassing van de EVOA-vergunning heeft overgebracht uit Nederland.

U bent afvalstoffenbelasting verschuldigd op het moment dat de verleende toestemming tot overbrenging van afvalstoffen uit Nederland is verlopen en er 6 kalendermaanden zijn verstreken sinds de maand waarin de laatste verwerkingsverklaring is ontvangen, dan wel ontvangen had moeten zijn,

Is de beschikking afgegeven vanaf 25 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 dan betaalt u alleen de heffing over het gewicht van de vanaf 1 januari 2019 getransporteerde afvalstoffen tegen een tarief dat geldt vanaf 1 januari 2019.

Aanvraag beschikking bij ILT en aangifte bij Belastingdienst

De uitvoering van de heffing van afvalstoffen bij verwijdering buiten Nederland is belegd bij de Belastingdienst en de ILT gezamenlijk. Elk van deze organisaties heeft daarbij een eigen rol.

Als kennisgever vraagt u een beschikking aan bij de ILT. De beschikking baseert de ILT op de in deze aanvraag vermelde gegevens.

De kennisgever dient de aanvraag in binnen vier weken nadat de laatste verwerkingsverklaring is ontvangen of ontvangen had moeten zijn voor alle afvalstoffen die zijn overgebracht uit Nederland op basis van de EVOA-toestemming.

Zoals in de beschikking is aangegeven kan bezwaar en beroep worden ingesteld bij de ILT tegen de door de ILT afgegeven beschikking.

Om vervolgens aangifte afvalstoffenbelasting te kunnen doen, moet u als kennisgever bij de Belastingdienst een verzoek om uitreiking van een zogenoemde aangiftebrief indienen. Dit verzoek stuurt u naar:
Belastingdienst/Kantoor Arnhem
Landelijk Milieubelastingenteam
Postbus 9001
6800 DB Arnhem

Wat gebeurt er wanneer een kennisgever niet tijdig een beschikking aanvraagt?

De ILT geeft ambtshalve een beschikking af wanneer de kennisgever de aanvraag tot een beschikking niet tijdig heeft gedaan en wanneer een eventuele eerdere beschikking is ingetrokken. Aanleiding voor een intrekking van de beschikking kan bijvoorbeeld zijn dat tijdens een controle blijkt dat de gegevens die de kennisgever verstrekte onjuist of onvolledig zijn.  

Hoe dient u een aanvraag in bij de ILT?

Dat doet u via een formulier dat in het voorjaar van 2019 beschikbaar komt op de website van de ILT.

Bij het indienen van een aanvraag logt u in door middel van e-herkenning, het inlogmiddel moet minimaal geschikt zijn voor betrouwbaarheidsniveau 2 en geschikt zijn voor de dienst: “Elektronische formulieren van de ILT”.

Met eHerkenning log je als bedrijf of organisatie in. Een bedrijf of organisatie kan aan meerdere medewerkers een inlogmiddel verstrekken. Iedere medewerker die mag inloggen krijgt een eigen gebruikersnaam en wachtwoord.

De Inspectie Leefomgeving en Transport verstrekt geen inlogmiddelen. Inlogmiddelen worden verstrekt door erkende aanbieders. Meer informatie over het aanvragen van een inlogmiddel is te vinden op:

Welke gegevens moet u opnemen in de aanvraag?

Naast NAW-gegevens, zijn de onderstaande gegevens van belang:

  1. Het gewicht van de afvalstoffen die met u met toepassing van de toestemming tot overbrenging heeft overgebracht, en het aantal transporten waarmee dat is gebeurd;
  2. Het gewicht van de afvalstoffen (voor baggerspecie en rioolwaterzuiveringsslib geldt een vrijstelling) die u met toepassing van de toestemming tot overbrenging heeft overgebracht en die, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden gestort;
  3. Het gewicht van de afvalstoffen (voor baggerspecie of rioolwaterzuiveringsslib geldt een vrijstelling) die u met toepassing van de toestemming tot overbrenging heeft overgebracht en die, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden verbrand in een installatie waarin gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand,
  4. Verminderd met het gewicht van het aan deze afvalstoffen toe te rekenen verbrandingsresidu dat nuttig is of zal worden toegepast; u vermeldt apart de hoeveelheid verbrandingsresidu die nuttig is of zal worden toegepast;
  5. Het gewicht van de afvalstoffen (niet: baggerspecie of rioolwaterzuiveringsslib) die u met toepassing van de toestemming tot overbrenging  heeft overgebracht en die, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden verbrand in een installatie waarin geen gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand;
  6. Het gewicht van de afvalstoffen die met toepassing van de toestemming tot overbrenging zijn overgebracht voor zover dit gewicht nog niet is vermeld ingevolge onderdelen 2, 3 of 4, onder vermelding van de aard en verwerkingswijze van deze afvalstoffen (bijvoorbeeld gestorte of verbrande baggerspecie, verbrand rioolwaterzuiveringsslib of materialen die na sortering worden hergebruikt); als er sprake is van meer dan één verwerkingswijze, specificeert u de hoeveelheden per verwerkingswijze.

Als kennisgever onderbouwt u de aanvraag met een verklaring van de ontvanger over de verwerkingswijze van de afvalstoffen. Dit volgens artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Daarin legt de ontvanger verantwoording af over de afvalstroom voor alle bedrijven in de keten. Hierover moet de aanvrager dus afspraken maken met de ontvanger. In deze verklaring maakt de ontvanger voor het geheel van de overgebrachte afvalstoffen, door middel van een uitsplitsing de afvalstromen inzichtelijk. Als meerdere bedrijven zijn betrokken, moet in de verklaring de verwerking tussen de verschillende verwerkingswijzen in een schematische weergave worden gespecificeerd.

Voorbeeld:

800 ton afvalstoffen zijn overgebracht met toepassing van een toestemming tot overbrenging. Daarvan is 300 ton door de ontvanger uitgesorteerd voor hergebruik, terwijl 500 ton door de ontvanger is verbrand in een installatie waarin gemengde afvalstoffen mogen worden verbrand. Vervolgens is 30 ton verbrandingsresidu naar bedrijf X gebracht en daar gestort, en 70 ton verbrandingsresidu naar bedrijf Y gebracht en daar nuttig toegepast.

De ontvanger vermeldt in de verklaring:

  •     800 ton
  •     0 ton
  •     500 ton, verminderd met 70 ton nuttig toegepast verbrandingsresidu
  •     0 ton
  •     300 ton

Schematische weergave

Zie ook

  • Afvalstoffenbelasting Bedrijven in Nederland met een afvalverbrandingsinstallatie of stortplaats betalen afvalstoffenbelasting. Dit geldt ook voor bedrijven die in het buitenland afvalstoffen mogen laten verbranden.
  • Verhoging tarieven afvalstoffenbelasting in Nederland en het buitenland Het tarief voor het storten en verbranden van afvalstoffen binnen Nederland gaat omhoog. Ook het tarief voor het storten en verbranden van Nederlands afval in het buitenland gaat omhoog.