1. Home
  2.   Onderwerpen
  3.   Leefomgeving
  4.   Producten
  5. Biociden

Biociden

Wat het zijn, wanneer ze worden toegelaten en welke speciale gevallen er zijn

Op deze pagina vindt u uitleg over biociden zelf, over toelating ervan tot de Nederlandse markt en over speciale gevallen. Er is een afzonderlijke webpagina over toezicht en handhaving en een met informatie voor zogeheten toelatinghouders, professionele gebruikers en consumenten.

Wat zijn biociden?

Biociden zijn letterlijk dodelijke stoffen (bios betekent ‘leven’, cide ‘doder’). Het zijn bestrijdingsmiddelen (stoffen of mengsels) met als doel schadelijke of ongewenste organismen te vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken of de effecten ervan te voorkomen.

Biociden bevatten of genereren één of meer werkzame stoffen. De werkzame stof in een biocide kan een gevaarlijke chemische stof, een micro-organisme, een virus of een schimmel zijn, maar ook een natuurlijke olie of een natuurlijk extract. Een middel is geen biocide wanneer de werking ervan puur fysiek of mechanisch is.

Biociden kunnen gevaarlijk zijn. Er moet zo goed mogelijk voor worden gezorgd dat:

• de werkzame stof de gebruiker en het milieu niet aantast,
• de te bestrijden organismen niet resistent worden tegen die stof,
• er geen ongewenste slachtoffers vallen (bijvoorbeeld huisdieren),
• de werkzame stof optimaal werkt.

Om die redenen beslist het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) of biociden tot de Nederlandse markt worden toegelaten en schrijft het voor hoe ze moeten worden gebruikt en voor welke toepassing ze mogen worden gebruikt. De ILT ziet toe op de regelgeving.

Welke soorten biociden zijn er?

Biociden worden in vele sectoren in de industrie gebruikt, maar ook in de agrarische sector (de veehouderijsector en de kassenteelt). Voorbeelden zijn desinfecteermiddelen, rattengif, insecticiden, , houtverduurzamingsproducten en balsemingsvloeistoffen. De Europese regelgeving onderscheidt 22 categorieën oftewel productsoorten:

1. desinfectiemiddelen voor gebruik door mensen;
2. desinfectiemiddelen voor oppervlakten en in ruimten;
3. middelen voor veterinair gebruik;
4. desinfectiemiddelen in voedsel- en diervoedingbereiding;
5. desinfectie van drinkwater voor mens en dier;
6. conserveringsmiddelen;
7. filmconserveringsmiddelen;
8. houtconserveringsmiddelen;
9. conserveringsmiddelen voor leer, rubber en gepolymeriseerd materiaal;
10. conserveringsmiddelen voor bouwmaterialen en dergelijke;
11. conserveringsmiddelen voor vloeistofkoeling;
12. slijmbestrijdingsmiddelen;
13. conservering van glas- en metaalbewerkingsvloeistoffen;
14. middelen tegen ratten, muizen en andere knaagdieren (rodenticiden);
15. middelen tegen vogels (aviciden);
16. middelen tegen vissen (pisciciden);
17. middelen voor de bestrijding van andere gewervelde dieren
18. middelen tegen weekdieren (mollusciciden);
19. middelen tegen insecten en spinnen (insecticiden/arcariciden);
20. afweermiddelen en lokstoffen;
21. aangroeiwerende middelen (antifouling voor schepen en dergelijke);
22. middelen voor het balsemen en opzetten van overleden mensen en dieren.

Toelating van biociden tot de Nederlandse markt

Het Ctgb laat alleen middelen tot de Nederlandse markt toe waarvan de werkzame stof door de Europese Unie is goedgekeurd. Per januari 2016 zijn 1465 middelen tot de Nederlandse markt toegelaten.

Let op: verschillende soorten toelatingen 
De site van het Ctgb gaat uitvoerig in op het aanvragen van verschillende soorten toelatingen, bijvoorbeeld alleen voor ons land, de hele Europese Unie of voor wederzijdse erkenning van biociden door afzonderlijke lidstaten.

De Europese Unie heeft alle werkzame stoffen opgenomen in de lijsten met bestaande en goedgekeurde werkzame stoffen van de European Chemical Agency (ECHA). Komt de werkzame stof daar niet op voor, dan mag die niet in een biocide worden gebruikt.

Let op: vrijstelling in incidentele gevallen 
De minister van Infrastructuur en Milieu kan vrijstelling verlenen voor het gebruik van niet-toegelaten biociden. Dat gebeurt alleen in incidentele gevallen, bijvoorbeeld omdat sprake is van een urgente situatie, omdat het in het belang is van de volksgezondheid of omdat er geen alternatief middel is.

Elke biocide heeft een toelatingsnummer

Toegelaten middelen zijn herkenbaar aan een toelatingsnummer. Dat nummer vindt u op het etiket. Een biocide zonder toelatingsnummer mag niet in Nederland worden verhandeld of gebruikt.

Een toelatingsnummer bestaat uit 5 cijfers, aangevuld met de letter ‘N’. Een EU-nummer begint met de afkorting van het land, gevolgd door 7 cijfers, met na een koppelteken nog eens 4 cijfers. En voorbeeld van een Nederlands nummer is NL-1234567-1234. Middelen met een toelatingsnummer van elke andere EU-lidstaat dan Nederland mogen niet in ons land worden verhandeld en gebruikt.

Let op: geen Nederlandse toelating nodig voor exporteurs 
Bedrijven die biociden uitsluitend voor de export produceren hebben daar geen Nederlandse toelating voor nodig. Wel moeten ze die biociden fysiek en administratief gescheiden houden van biociden die wel voor de Nederlandse markt bedoeld zijn. Ook moeten ze kunnen aantonen dat ze het middel in het betreffende exportland mogen afzetten.

Elke biocide is voorzien van een gebruiksvoorschrift en een gebruiksaanwijzing

Het Ctgb schrijft voor toegelaten biociden een gebruiksvoorschrift en een gebruiksaanwijzing voor. Ook die moeten op het etiket staan. Het is verboden om middelen met een biocide anders dan volgens de voorschriften te gebruiken.

Biocide ter plekke geproduceerd? Twee toelatingen nodig

Sommige biociden worden gemaakt op de plaats waar ze worden gebruikt: zogeheten in situ gegenereerde biociden. Een bekend voorbeeld is uit natriumchloride (keukenzout) geproduceerd chloor dat wordt gebruikt om zwembadwater te desinfecteren. Ook zijn er stoffen met een desinfecterende eigenschap die onder hoge druk worden vrijgemaakt. Er is een toelating nodig voor zowel de werkzame stof (de biocide) als voor het apparaat dat die stof maakt.

Uitzondering? Dien een zogeheten stofdossier in

Tot voor kort golden twee uitzonderingen voor in situ gegenereerde biociden: ozon en het hierboven genoemde chloor (tenzij dat wordt gebruikt om drinkwaterleidingen te desinfecteren). Die uitzonderingen komen echter te vervallen.

Wie ozon of chloor binnen een Europese lidstaat voor de bedoelde toepassingen wil gebruiken, moet uiterlijk op 1 september 2016 een zogeheten stofdossier indienen om ze te laten goedkeuren, inclusief het gebruik ervan. Doet hij dat niet, dan vervalt de uitzondering en moet hij de stof uiterlijk op de genoemde datum uit de markt nemen. Dat geldt ook voor middelen waarin de stof is gebruikt. Dient de toelatingshouder wél een stofdossier in, dan blijft de uitzondering gelden tot de Europese Unie een besluit over de stof heeft genomen.

Let op: dubbele wetgeving voor sommige biociden 
De regels voor biociden gelden niet voor middelen en producten waarop al andere wetgeving van toepassing is, zoals (dier)geneesmiddelen, cosmetica en medische hulpmiddelen. In bijzondere gevallen moet een middel zowel aan eigen regelgeving als aan biocideregelgeving voldoen. Heeft bijvoorbeeld een reinigingsmiddel volgens de producent ook biocidale eigenschappen, dan heeft hij er een toelating voor nodig.

Behandelde voorwerpen: wel of geen biociden?

Sommige voorwerpen die met biociden zijn behandeld (ook wel behandelde voorwerpen of treated articles), worden niet als biocide beschouwd en hebben geen toelating nodig. Voorbeelden zijn insectenwerende kleding, antibacteriële sokken en schimmelwerende koelkastdeuren. De Europese Commissie adviseert hoe met deze voorwerpen moet worden omgegaan. Ze moeten in elk geval zijn voorzien van een etiket dat gebruikers inzicht geeft in de biociden waarmee de voorwerpen zijn behandeld en in de eventuele risico’s ervan.

Behandelde voorwerpen waarvan de primaire werking biocidaal is, bijvoorbeeld een geïmpregneerde muggenklamboe, worden wél als biociden beschouwd en hebben een toelating nodig. Voor degelijke voorwerpen gelden bepaalde verplichtingen.

Voedingsstoffen kunnen ook onder de biocidenregeling vallen

Levensmiddelen of diervoerders zijn geen biociden. Maar ze worden wel als zodanig aangemerkt als ze als lokstof of als werende stof worden gebruikt. Dat betekent dat jam niet zonder toelating als wespenlokkend middel mag worden verkocht en (bijvoorbeeld) lavendelolie niet als vliegenwerend middel. De biocidenverordening is dus van toepassing op alle producten die worden verhandeld ter bestrijding van schadelijke organismen, ook wanneer het levensmiddelen of diervoeders zijn.