Kleine drijvende werktuigen

Handhaving

Vanaf 1 juli 2021 mogen kleine drijvende werktuigen die niet voorzien zijn van een geldig binnenvaartcertificaat niet langer geëxploiteerd worden. Bij controles aan boord zal er vanaf 1 juli 2021 handhavend opgetreden worden als het vaartuig niet voorzien is van een geldig binnenvaartcertificaat.

Toelichting

Voor kleine drijvende werktuigen, die worden gebruikt om werkzaamheden uit te voeren op Nederlandse vaarwegen van zone 4, geldt een verplichte certificering (bijlage 3.12 van de Binnenvaartregeling).

In deze bijlage is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor deze categorie vrijstelling te verlenen van een aantal technische voorschriften in ES-TRIN en daaraan voorschriften te verbinden. De tot nu toe in bijlage 3.12 opgenomen vrijstellingen blijken in de praktijk echter niet toereikend om de categorie zeer kleine drijvende werktuigen, zoals maai- en schuifboten, van een certificaat te kunnen voorzien.

Aanpassing Binnenvaartregeling

De aanpassing van de Binnenvaartregeling is tot stand gekomen in overleg met de Vereniging van Waterbouwers, CUMELA Nederland, de door de ILT erkende keuringsinstanties en een aantal fabrikanten van klein drijvend materieel naar aanleiding van de geconstateerde knelpunten.

Dat heeft geleid tot een regeling om voor deze categorie drijvende werktuigen tot een lichter pakket aan technische eisen te komen op basis waarvan ook deze ‘categorie’ drijvende werktuigen kunnen worden gecertificeerd.

Het was de bedoeling dat deze wijzigingen per 1 januari 2021 van kracht zouden worden. Vanwege diverse omstandigheden is deze termijn echter niet haalbaar gebleken.

De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft daarom besloten om drijvende werktuigen die onder bijlage 3.12 van de Binnenvaartregeling vallen alvast vooruitlopend op de wijziging van de Binnenvaartregeling te certificeren aan de hand van de voorgenomen wijzigingen.

Tot 1 juli 2021 mogen drijvende werktuigen die op de zone 4 wateren varen en onder het toepassingsgebied van bijlage 3.12 van de Binnenvaartregeling vallen,  zonder certificaat geëxploiteerd worden.

Bijlage inhoudelijke wijzigingen bijlage 3.12

Kleine drijvende werktuigen die alleen varen op vaarwegen met een klassering lager dan CEMT klasse 1 worden tijdens de inspectie niet getoetst aan de hieronder opgesomde eisen in ES-TRIN.

  • Artikel 3.04, lid 3: Dekken en deuren/luiken machinekamers van staal;
  • Artikel 7.03, lid 8: Signalerings- en controle-instrumenten automatisch op andere energiebron;
  • Artikel 7.04, lid 2: bediening voortstuwing;
  • Artikel 7.04, lid 3: Richting van de door de aandrijving op het schip werkende stuwingskracht;
  • Artikel 8.05, lid 3: brandstoftanks;
  • Artikel 8.05, lid 6;
  • Artikel 8.05, lid 10 onder a; Bunkerovervulbeveiliging;
  • Artikel 14.13: opslag brandbare vloeistoffen;
  • Artikel 22.03 lid 1: alarminstallatie.

Vooruitlopend op de voorgenomen aanpassingen in de Binnenvaartregeling mag/mogen op de betreffende categorie kleine drijvende werktuigen:

  • worden afgeweken van artikel 8.05, lid 6, ES-TRIN , mits andere passende voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat brandstof uit de brandstoftank kan vloeien;
  • blustoestellen met een inhoud van ten minste 4 kg worden gebruikt (in plaats van ten minste 6 kg conform artikel 13.03, lid 2 ES-TRIN);
  • de lenspomp als bedoeld in artikel 22.02, lid 3, onderdeel a ES-TRIN worden vervangen door een elektrisch of handmatig aangedreven pomp met een minimale capaciteit van 40 liter per minuut.