Ga naar hoofdmenu / zoekveld

  1. Home 
  2. Onderwerpen 
  3. Leefomgeving 
  4. Milieu 
  5. Afval

MilieuAfval

Als afval en afvalstromen niet worden verwerkt, kan dit leiden tot schade aan gezondheid en milieu. Daarom verplicht de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen lidstaten van de Europese Unie een Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) op te stellen. Hierin staan de doelstellingen voor het beheer van afval.

In Nederland is in het LAP precies vastgelegd welke concrete resultaten Nederland wil boeken bij het beheer van afval. In het LAP staat onder andere hoe Nederland afval een nuttige toepassing wil geven, hoe de energie-inhoud van afval kan worden behouden en wat de doelstellingen zijn voor het beperken van de hoeveelheid afval.

Afvalbeleid

De verantwoordelijkheid voor het afvalbeleid, de regelgeving en het toezicht ligt bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het beleid is gericht op het voorkomen van milieuschade en op de nuttige toepassing van afval. Bij nuttige toepassing ligt de nadruk op het hergebruik van materialen en producten en op de optimalisatie van afvalbeheer. Hierbij geldt het principe 'de vervuiler betaalt'.

Hergebruik stimuleren

Het stimuleren van hergebruik gebeurt via de zogenoemde productbesluiten afvalbeheer. Deze productbesluiten zijn er voor onder andere batterijen, (auto)banden, elektrische en elektronische apparatuur en verpakkingen. In al deze besluiten is vastgelegd dat de producent of importeur verantwoordelijk is voor de kosten van inzameling, recycling en verwerking van afgedankte producten. Het ultieme beleidsdoel is de ontwikkeling stimuleren van 'slimme' producten, die in het afvalstadium geen of minder druk veroorzaken.

Inspectie Leefomgeving en Transport

De Inspectie Leefomgeving en Transport voert in opdracht van het ministerie het feitelijke toezicht uit op het beheer en de verwerking van afval. De Inspectie houdt via onderzoek in de gaten of de recycledoelstellingen worden gehaald en of producenten hun verantwoordelijkheid nemen. Ook onderzoekt de Inspectie hoe de inzameling verloopt en wat er uiteindelijk met afvalmateriaal gebeurt.

Bijmenging afvalstoffen in scheepsbrandstoffen

In de afgelopen jaren hebben inspectiediensten verschillende zaken gehad waarin het vermoeden ontstond dat gevaarlijke (afval)stoffen in scheepsbrandstoffen waren weggemengd. Het ging daarbij vooral om scheepsbrandstoffen die gemaakt zijn van residuale olie en (schadelijke) blends. Bijmenging bij residuale olie is vaak nodig om het geschikt te maken als brandstof voor een scheepsmotor (op spec maken).

Om ongewenste bijmengingen te kunnen vaststellen heeft de  voormalige VROM-Inspectie (over gegaan in de huidige Inspectie voor de Leefomgeving en Transport) het RIVM gevraagd meer zicht op de aanwezigheid van deze stoffen te geven. Het overzicht van het RIVM (zie hieronder) helpt in het verkrijgen van aanwijzingen over ongewenste bijmengingen in deze brandstoffen. Het rapport bevat een lijst met kritische stoffen. Dit zijn stoffen die gevaarlijk zijn (uit oogpunt van arbeidsomstandigheden, gezondheid, milieu en veiligheid van het scheepvaartverkeer) en waarvan bijmenging in stook- of bunkerolie verwacht kan worden. Voor deze lijst met kritische stoffen is aan de hand van drempelwaarden aangegeven wat ‘normale’ gehalten in brandstoffen zijn (wat mag er van nature in verwacht worden).

Indien analyses duiden op gehalten boven deze drempelwaarden dan is dit een aanwijzing voor bijmenging. Op basis daarvan kan onderzocht worden wat er precies is bijgemengd, uit welk proces de bijgemengde stof afkomstig is en of het dan als een afvalstof te kwalificeren is.

Ook beschrijft het RIVM in dit rapport een analysestrategie om efficiënt en effectief aanwijzingen voor bijmengingen te krijgen. Hierbij is aangegeven welke methoden nu al operationeel zijn en welke methoden nog ontwikkeld moeten worden.

Meer informatie